Tuinen belangrijkste voedselbron voor bestuivende insecten in steden en dorpen

Privétuinen in de stad zijn met voorsprong de belangrijkste voedselbron voor bestuivende insecten in steden en dorpen. Dat blijkt uit een Britse studie die verscheen in het vakblad Journal of Ecology, waarin voor de eerste keer gemeten werd hoeveel nectar wordt geproduceerd in stedelijke gebieden. Daaruit blijkt dat de overgrote meerderheid afkomstig is van tuinen, gemiddeld zo’n 85 procent.

 

Bloeiende planten leveren voedsel voor insectenbestuivers (nectar en stuifmeel), maar zijn op het platteland afgenomen als gevolg van veranderingen in landgebruik. In deze studie werd het nectaraanbod in vier Britse steden, Bristol, Edinburgh, Leeds en Reading, gemeten door het aanbod aan bloeiende planten en de productiegegevens van nectarsuiker voor 536 bloeiende plantentaxa te combineren. Die gegevens werden vergeleken met de nectarproductie in landelijke gebieden en natuurreservaten.

• De totale nectarproductie verschilde niet significant tussen de drie landschapstypes.
• In stedelijke gebieden was het aanbod van nectar wel veel diverser van oorsprong, dus afkomstig van veel meer verschillende planten, en met name vooral niet-inheemse bloeiende planten.
• In steden leverden private tuinen de meeste nectar per oppervlakte-eenheid en 85% van alle nectar op stadsniveau. Tuinen en volkstuinen produceerden ook de meest diverse voorraden nectar.
De auteurs besluiten dat stedelijke gebieden hotspots zijn van plantendiversiteit en dat tuinen een cruciale rol spelen in de nectarproductie.

Het belang van tuinen

“We hadden wel verwacht dat tuinen een belangrijke bron van nectar zouden zijn, maar hadden niet gedacht dat het overwicht zo overweldigend zou zijn,” aldus ecoloog Nicholas Tew, hoofdauteur van de studie, in een commentaar. “Onze bevindingen onderstrepen de cruciale rol die tuinen spelen bij het ondersteunen van bestuivers en het bevorderen van de biodiversiteit in stedelijke gebieden.”
De studie toonde bijvoorbeeld aan dat drie tuinen samen gemiddeld dagelijks een theelepel nectar produceren. Dat lijkt weinig, maar het is het equivalent van een ton voedsel voor een volwassen mens. De theelepel is dus genoeg om duizenden vliegende bijen en andere bestuivende insecten van brandstof te voorzien.

“Het onderzoek illustreert de grote rol die de doorsnee tuin speelt bij het behoud van bestuivers, aangezien er zonder tuinen veel minder voedsel zou zijn voor bijen, wespen, vlinders, motten, vliegen en kevers”, zegt Tew. “Het is dan ook van vitaal belang dat in nieuwe woonwijken tuinen worden aangelegd.” Bijna een derde (29 procent) van de oppervlakte in de bestudeerde stedelijke gebieden bestaat uit privétuinen. Dat is ongeveer zes keer zoveel als parken en veertig keer de oppervlakte van volkstuinen.

Tew benadrukt ook de rol van de tuineigenaars om te zorgen dat hun tuinen zo goed mogelijk zijn voor bestuivers. “Dat kan onder meer door nectarrijke bloemen te planten, ervoor te zorgen dat er altijd iets in bloei staat van het vroege voorjaar tot het late najaar en door het gazon minder vaak te maaien om paardenbloemen, klaver, madeliefjes en andere bloemen een kans te geven. Pesticiden zijn natuurlijk helemaal uit den boze, net als kunstgras of al te veel verharding.”

Niet inheems

De meeste sierplanten in de bestudeerde tuinen zijn niet inheems en zelfs de inheemse planten zijn vaak sterk gemodificeerde tuincultivars. Maar volgens Tew blijkt uit het onderzoek dat er “geen duidelijke reden is waarom niet-inheemse planten minder waardevol zouden zijn dan inheemse planten. De bestuivers die gespecialiseerd zijn in bepaalde planten, kunnen moeite hebben om geschikt voer te vinden in tuinen en er kunnen ook bepaalde voedselbronnen voor larven voor Diptera en Lepidoptera ontbreken. Maar het is het duidelijk dat tuinen toevluchtsoorden zijn die rijk zijn aan hulpbronnen en waardevol zijn voor veel soorten insectenbestuivers. Gezien de mate waarin intensieve landbouw de biodiversiteit op het platteland heeft verwoest en de onzekerheden die de klimaatverandering met zich meebrengt, zou het nuttig kunnen zijn om stedelijke landschappen te bestuderen en ons te helpen onze traditionele opvattingen over de rol van geïntroduceerde soorten in gemeenschappen in vraag te stellen.”

U kunt het volledige artikel ‘Quantifying nectar production by flowering plants in urban and rural landscapes’ hier lezen.

%d bloggers liken dit: