Sociaal akkoord Tuinbouwbedrijf 2019-2020

Op 4 juli bereikten de sociale partners van de Paritaire Comités voor de Landbouw en voor het Tuinbouwbedrijf, inclusief de tuinaanleg, een protocolakkoord in het kader van de sectorale onderhandelingen voor de periode 2019 – 2020.

1. Lonen
Met ingang van 1 juli 2019 worden de gepubliceerde minimumlonen en alle effectief toegepaste lonen verhoogd met 1,1%. Deze verhoging geldt zowel voor de vaste werknemers als voor het seizoen – en gelegenheidspersoneel.

Concreet betekent dit:

• Sector Boomkwekerij

Seizoenarbeid: 11,23 €/u
Vast categorie 12,39 €/u

• Parken en tuinen A: 12,96 €/u
• Parken en tuinen B: 12,67 €/u
Ook de forfaitaire premie die je als werkgever betaalt, wordt geïndexeerd. Voor vaste werknemers wordt deze opgetrokken naar 58,96€, te betalen in juli. Voor seizoenarbeiders wordt deze opgetrokken tot 10,72€, te betalen in de maand waarin de 50ste dag gewerkt wordt.

2. Woon-werkverkeer
De tussenkomst van de werkgever in het woon-werkverkeer dat gebeurt met eigen vervoermiddelen (bijvoorbeeld een auto) wordt verhoogd van 65 naar 70%. De fietsvergoeding wordt vastgelegd op 0,24€/km vanaf 1 december 2020.

3. Vergoeding werkkledij
Er bestaat de mogelijkheid om de werknemers zelf te laten instaan voor het onderhoud van hun werkkledij. Wanneer er in dit verband afspraken gemaakt worden tussen de werkgever en de werknemers, betaalt de werkgever een vergoeding als compensatie voor de kosten die de werknemer maakt. Op dit moment zit er veel verschil tussen de verschillende sectoren. Deze verschillen worden over de komende jaren gelijkgetrokken.

4.  Cashbetaling seizoenarbeiders
De mogelijkheid om het voorschot én het loon in cash uit te betalen wordt verlengd tot en met 31 december 2021. Dit houdt in dat er vanaf 1 januari 2022 geen mogelijkheid meer bestaat om nog in cash het loon uit te betalen. In de tussentijd is er verder overleg met de banksector om problemen in de toekomst te vermijden.

5.  180-dagenregeling seizoenarbeiders
Bedrijven hebben op dit moment geen enkele mogelijkheid om na te gaan of een seizoenwerknemer al dan niet reeds gewerkt heeft als vaste werknemer in de 180 dagen die voorafgaan aan de aanwerving als seizoenwerknemer.

De sociale partners van de Paritaire comités spraken daarom af om de toepassing van de 180-dagenregel te beperken tot de eigen onderneming in de socio- economische betekenis van het woord. Wanneer een bedrijf bestaat uit meerdere juridische entiteiten die in de praktijk als één onderneming gerund worden, wordt dit geheel van afzonderlijke vennootschappen toch als één enkele onderneming beschouwd.

Er werd eveneens afgesproken dat wanneer een seizoenwerknemer een contract van bepaalde duur of een bepaald werk wordt aangeboden van maximum zes weken (nadat de tewerkstelling als seizoenwerknemer afgelopen is en direct aansluitend aan deze tewerkstelling), deze zes weken niet worden meegerekend bij de toepassing van de 180-dagenregeling.

Hierdoor kan de betrokken seizoenwerknemer in het  daaropvolgend voorjaar, en zelfs binnen de 180 dagen nà afloop van het contract van bepaalde duur of een bepaald werk, naar  dezelfde onderneming terugkeren als seizoenwerknemer.

Er werd tenslotte afgesproken dat de 180-dagenregel niet geldt wanneer een vaste werknemer met wettelijk pensioen gaat en nadien in dezelfde onderneming zou willen werken als seizoenwerknemer.

6. Tweede pensioenpijler
Wat de tweede pensioenpijler betreft, wordt er afgesproken om de thans  bestaande werkgeversbijdrage van 1,87% ( inclusief de 0,05% voor de solidariteit ) te verhogen met 0,13%  en dit met ingang van het eerste kwartaal van 2020. Deze bijdrageverhoging  tot 2 % geldt voor een onbepaalde duur.

7. Plan oudere werknemers

De in de verschillende sectoren bestaande regeling, waarbij aan oudere werknemers vanaf 45 jaar of ouder onder bepaalde voorwaarden één tot meerdere dagen wordt toegekend om een specifieke vormingen gericht op oudere werknemers te volgen dan wel een  of meerdere dagen vrij te nemen, wordt verlengd tot en met 31 december 2021. De betaling van deze dagen gebeurt via de reserves van de post “einde loopbaan” in de verschillende sociale fondsen.

8. Vorming en opleiding

Er wordt benadrukt dat vorming en opleiding zeer belangrijk zijn. Er zal in de komende periode nagedacht worden om, in elk geval in de landbouw en de tuinbouw, te komen tot méér vorming en opleiding. Er zal nagegaan worden hoe vorming dichter bij de ondernemingen kan worden gebracht en hoe er meer praktijkgerichte opleidingen kunnen voorzien worden.

In het algemeen moet worden onderzocht  of  het vormingsaanbod kan worden verruimd worden, of vormingen gemakkelijker op andere data kunnen ingericht worden en of vormingen in de onderneming zelf kunnen worden georganiseerd. Er zal tevens worden onderzocht of het opportuun kan zijn aan de ondernemingen, die nog nooit aan vorming hebben deel genomen, een brief te richten met de bedoeling het vormingsaanbod beter bekend te maken en een aantal gerichte vragen te stellen. In dit verband zal een gesprek worden ingepland met EDU+ en Mission Wallonne.

9. Prevent Agri
Er is afgesproken om PreventAgri – Vlaanderen te versterken in de komende periode. Er zal in de beginfase één bijkomende persoon worden aangetrokken om zo bijkomende initiatieven te kunnen nemen.

 

Bijzondere bepalingen voor de tuinaanleg      

• Mobiliteitsvergoeding

De bestaande regeling  inzake  de mobiliteitsvergoeding wordt verduidelijkt, verfijnd en   geactualiseerd.  Aan de hand van een aantal concrete voorbeelden zal een werkgroep in het Paritair Comité  de bestaande cao aanpassen en actualiseren.

• Zaterdagwerk

De bestaande regeling inzake zaterdagwerk wordt verduidelijkt, verfijnd en geactualiseerd

• Oira tool en duaal leren

Er bestaat voor de  tuinaanleg een OIRA-tool. Er zal in een werkgroep worden onderzocht of deze tool ook bij een aanvraag in het kader van duaal leren zou kunnen aangewend  worden mede met het oog op het onder controle  houden van de veiligheidsrisico’s bij duaal leren. Een en ander zal verder besproken worden in een werkgroep waarbij ook een beroep wordt gedaan op de medewerkers van Prevent Agri en op het Sectoraal Partnerschap Groene Sectoren.  In deze werkgroep zullen de verschillende aspecten aan bod komen en moet er ook over gewaakt worden dat duaal leren niet wordt afgeremd.

• Vrijwillige overuren

Er bestaat een wettelijke regeling in toepassing waarvan werknemers vrijwillig 120 overuren kunnen presteren. Vandaag dienen er 95 uren ( van deze 120 ) aangerekend te worden op de interne meerurengrens van 143 uren.  Hierdoor is het mogelijk dat bij sommige tuinaanlegbedrijven de planning voor de komende periode in gevaar komt. Rekening houdende met de noodzaak om op de werven en bij de klanten  een voldoende  grote marge  aan  mogelijk werkuren te kunnen behouden, wordt er afgesproken om het aantal uren dat niet wordt aangerekend op de interne meerurengrens van 143 u op te trekken van 25 u naar 36 u op jaarbasis. Er wordt  in dit verband een cao opgemaakt voor een periode van twee jaar die nadien geëvalueerd wordt  in het voorjaar van 2021. Werknemers  die op een vrijwillige wijze overuren willen presteren, dienen een schriftelijke instemming te ondertekenen en  dit om de zes maanden. De ondernemingen die op deze regeling een beroep willen doen, leggen de akkoorden die tussen de werkgever  en de betrokken werknemers in dit verband zijn  opgemaakt, neer bij de voorzitter van het Paritair Comité .

• Outplacement

Er wordt afgesproken dat vanaf 1 juli 2019  de bestaande solidarisering van de kosten van outplacement  voor de werknemers van +45 jaar  a rato 80% , alléén behouden blijft voor de  werkgevers die lid zijn van één van de werkgeversfederaties. Voor de werkgevers die geen lid zijn bij een werkgeversfederatie die in het Paritair Comité vertegenwoordigd is, wordt de solidarisering verminderd tot 50%.

• Ondersteuning federaties tuinaanleg

Er wordt afgesproken  om aan de twee werkgeversfederaties die in het Paritair Comité vertegenwoordigd zijn een toelage uit de middelen van het sociaal fonds tuinaanleg toe te kennen teneinde meer leden te kunnen aantrekken en het sociaal overleg  beter te kunnen promoten  in de tuinaanlegsector .

Voor de periode 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2021 geldt de volgende regeling :

Voor elk van de twee jaren krijgt elke federatie  een vast bedrag van 100.000 euro met de  bedoeling één FTE in dienst te nemen. Met deze extra FTE  dienen via wervingsacties méér leden te  worden aangetrokken bij de tuinaannemers.

Er wordt daarnaast nog   per jaar 85.000 euro voorzien die als volgt wordt verdeeld : 60% voor BFG nl. 51.000 euro en 40% voor Avbs : 34.000 euro.

%d bloggers liken dit: