Interfaces: slim combineren in de publieke ruimte

De open ruimte, en het gebruik ervan, wordt vaak in hokjes opgedeeld. Dat maakt het moeilijk om een veelzijdig gebruik correct te duiden. Met het concept ‘interface’ bieden Valerie Dewaelheyns, Hans Leinfelder en Hubert Gulinck een nieuwe invalshoek om de complexe realiteit correcter te vatten

 

Stel: in het midden van een dorp ligt een braakliggend terrein. Het heeft geen officiële bestemming, maar wordt wel druk gebruikt: overdag is het een parkeerterrein, na schooltijd een speelruimte, in vakantieperiodes de plaats waar de kermis en het circus terechtkunnen. Hoe kan het beleid met zulke ruimtes omgaan?

Plekken die meerdere (informele) bestemmingen hebben, kunnen als ‘interfaces’ worden bestempeld. “Een interface wordt ruwweg gedefinieerd als een gebied in een tussentoestand: een plaats tussen twee andere locaties, een plek die door verschillende actoren op verschillende manieren wordt gebruikt, of een gebied dat naar een andere invulling evolueert”, zegt Hans Leinfelder, docent aan de KU Leuven en co-editor van het boek ‘Interfaces in Landscape and Land Use – Challenging the Boxes’.
“Het ruimtelijk beleid in Vlaanderen heeft de neiging om de complexe realiteit vergaand te vereenvoudigen. Elk gebied krijgt één duidelijke bestemming. Maar heel wat terreinen kennen een meervoudig gebruik, al dan niet officieel. Met die complexe realiteit moeten we rekening leren houden. Het concept ‘interface’ is nog altijd een vereenvoudiging, maar het biedt wel mogelijkheden om het echte gebruik van een gebied beter te vatten.”

Waardevol niemandsland
Heel wat interfaces zijn informele ruimtes die door meerdere actoren gebruikt worden. Die informele status is vooral een pluspunt, meent Hans Leinfelder. “Zodra een gebied een vaste bestemming krijgt, met bijhorende regels, verliest het een deel van zijn mogelijkheden. Denk opnieuw aan het braakliggende terrein dat als parking, speelplein en fuifterrein fungeert. Zelfs een positieve invulling, bijvoorbeeld met een gemeenschapshuis, stelt grenzen aan die flexibiliteit. Soms is niets doen de beste optie: terreinen zonder vaste bestemming kunnen heel waardevol zijn voor een samenleving. Maar het beleid voelt zich niet goed bij dat nietsdoen.”
“Onze ruimtelijke planning houdt zich sterk bezig met het toekennen van bestemmingen. We zouden beter meer aandacht besteden aan de inrichting van gebieden. Mag er bijvoorbeeld gebouwd worden? Is er een specifiek beheer nodig? Spelregels opleggen is nodig, maar ze mogen het gebruik van complexe gebieden liefst niet te fel beperken.”

Doelen combineren
Interfaces zijn ook een nuttig hulpmiddel om maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden. Heel wat prangende kwesties vragen immers ruimte: de klimaatverandering, hernieuwbare energie, waterbeheer … “Als we al die uitdagingen apart aanpakken, lukt het nooit”, stelt Hans Leinfelder. “Er is gewoon niet genoeg open ruimte om aan elk gebruik een ander terrein toe te wijzen. Slim combineren is de enige optie om de complexe uitdagingen van onze samenleving aan te pakken. De klimaatverandering maalt niet om de bestemmingen die wij aan gronden toewijzen. Interfaces kunnen een goede manier zijn om met een nieuwe bril naar de realiteit te kijken. Het concept geeft meer flexibiliteit om op de grote uitdagingen in te spelen.”

Bron: VLM