VLM-Evaluatiestudie volkstuinen

In 2020 onderzocht VLM de impact van de volkstuinensubsidie en bekeek of de VLM-volkstuinsubsidie substantieel heeft bijgedragen aan de verbeterde werking van volkstuinen in Vlaanderen, zowel kwalitatief als kwantitatief.

 

De maatschappelijke noden en behoeften waarop volkstuinen in Vlaanderen een antwoord bieden, zijn de afgelopen decennia reeds uitgebreid onderzocht en legden de basis voor de VLM-volkstuinsubsidiewerking. In de periode 2012-2018 heeft de VLM via projectoproepen subsidies verleend aan 184 volkstuinen om op te starten, uit te breiden of te moderniseren. Elke volkstuin kon maximaal 15.000 euro krijgen. In totaal is er 2.137.333 euro aan subsidies besteed in deze periode. Na een opmerkelijke opmars sinds 2012, viel het aantal en de kwaliteit van de ingediende dossiers opmerkelijk terug tijdens de laatste subsidierondes. Vanuit die observatie achtte de VLM de tijd rijp om de VLM-volkstuinsubsidie te evalueren. Dat gebeurde door Voorland en KU Leuven.

Maatschappelijke behoefte

Volkstuinen spelen traditioneel een belangrijke rol in het leven van mensen die willen moestuinieren, maar zelf over (te) weinig buitenruimte beschikken. Bovendien zijn volkstuinen ook sociale ontmoetingsplaatsen, zetten ze aan tot een gezondere levensstijl, zorgen ze voor natuurbeleving in de stad, en vervullen ze veel andere functies voor de buurt. Volkstuinen bestaan in de klassieke vorm al sinds het begin van de negentiende eeuw, maar de afgelopen 20 jaar kennen ze een opmars, waarbij de belangstelling groeit voor de uiteenlopende functies die volkstuinen kunnen opnemen. Dit vertaalt zich in een toename van verschillende nieuwe volkstuinconcepten of -types op het terrein, die elk een eigen accent leggen om een kwalitatief antwoord te bieden op de lokale maatschappelijke behoefte.

In deel 1 van het onderzoek wordt een uitgebreide toestandsbeschrijving gemaakt van de volkstuinen en hun institutionele context in het (recente) verleden en op vandaag om de kwalitatieve noden en behoeften in kaart te brengen. Hoewel volkstuinen nog steeds niet hoog op de agenda staan, niet op beleidsmatig vlak, noch op juridisch of planologisch vlak en ze dus kwetsbaar zijn voor andere ruimteclaims, heeft dit de groei van het volkstuinareaal niet belemmerd. We zien dat nieuwe volkstuinen vandaag relatief gemakkelijk op verschillende planologische bestemmingen worden gerealiseerd. De trends leren ons dat volkstuinen al lang niet meer louter om voedselproductie draaien, maar steeds meer verschillende functies opnemen. Volkstuininitiatieven gaan steeds meer sociale engagementen aan (samentuinen, zorgtuinen, warme tuinen, …) en gaan daarvoor ook steeds meer en verschillende partnerschappen aan. Uit de trends kunnen de veranderende maatschappelijke noden worden afgelezen waar volkstuinen op heden een kwalitatief antwoord op bieden.

De behoeftebepaling becijferde dan weer dat er kwantitatief een nog grotere (theoretische) behoefte is aan volkstuinen dan 10 jaar geleden, ondanks de bijna verviervoudiging van het aantal volkstuinen in Vlaanderen. Er werden 371 volkstuinen geïnventariseerd, waarvan er 118 de enquête volledig invulden. De enquête polste onder meer naar het concept, de partnerschappen, het dagelijks beheer, de sociale dynamiek, het profiel van de tuiniers en de voorzieningen in de tuin zelf, en bevroeg ook de invloed van de VLM-volkstuinsubsidie op bovenstaande aspecten.

Subsidieprocedure

Deel 2 van de evaluatiestudie onderzoekt de doelmatigheid van de subsidieprocedure en bestudeert of de inhoud en het proces van de subsidie erin slagen om tot een gerichte selectie van gewenste volkstuinen te komen. Het subsidiereglement en de weerslag ervan op de ingediende dossiers worden onder de loep genomen. Uit het onderzoek blijkt dat het subsidiereglement sterk is geëvolueerd sinds 2012, en dat de eerder geïdentificeerde trends er ook in worden weerspiegeld. Er kan worden gesteld dat het subsidiereglement en bij uitbreiding het indienproces parallel geëvolueerd zijn met de trends, en dus met de veranderende noden en behoeften in volkstuinen.

Om ten slotte na te gaan wat de impact van de projectsubsidie is geweest, wordt in deel 3 een case-onderzoek uitgevoerd. In tien volkstuinen, die zorgvuldig werden geselecteerd op basis van verschillende criteria (diversiteit, ouderdom, al dan niet ver- krijgen van subsidies, concept, etc.), werd nagegaan of de subsidie ook de daadwerkelijke oorzaak is van de realisatie op het terrein als dusdanig. De impact van de subsidie wordt geëvalueerd en geconfronteerd met de bevindingen uit de enquête.

Uit het case-onderzoek blijkt dat de subsidieaanvraag een belangrijk momentum creëert om het ontluikende volkstuinconcept effectief te realiseren. Over het algemeen kan worden gesteld dat de subsidieaanvraag (en het bijhorende subsidiereglement) geen verandering van ‘mindset’ teweegbrengt bij de (gewenste) volkstuinen op terrein. Het werkt eerder bevestigend. Bijgevolg hoeft de ‘mindset’ van het initiële volkstuinidee niet bijgesteld te worden om aan de subsidieaanvraag te kunnen voldoen. De verschillende aspecten (bv. sociale, ecologische, beheersmatige aspecten) opgenomen bij de focus van het subsidiereglement, zijn voor de aanvragers een evidentie. Toch blijkt uit de cases dat een subsidie essentieel is om de volkstuin effectief op te starten, wat overeenstemt met de enquêteresultaten.

Beleidsaanbevelingen

Volgens het rapport beantwoordt het huidige volkstuinbestand op kwalitatief vlak zeker aan de maatschappelijke noden en behoeften voldoet, maar er zijn nog steeds te weinig volkstuinen om te voldoen aan het gewenste volkstuinareaal.

De vernieuwende concepten zoals warme tuinen en samentuinen zijn op het voorplan van de subsidieprocedure getreden en dit sluit aan bij de kwalitatieve behoeften. De vraag naar bijkomend volkstuinareaal is echter zeer groot, dus niet alle kwantitatieve behoefte is met de VLM-volkstuinsubsidie ingelost.

Uit het onderzoek blijkt dat er een aantal elementen essentieel zijn om het volkstuinbeleid in Vlaanderen te optimaliseren.

• Vooreerst moet de term ‘volkstuin’ verder worden uitgedacht. Een weloverwogen begripskeuze en duidelijke afbakening van het beleidsvoorwerp zijn belangrijk. De term ‘eetbare buurt’ is zowel bij de enquête, de interviews en de klankbordgroep gehanteerd als mogelijk alternatief voor ‘volkstuin’ als beleidsvoorwerp.
• Een langetermijnvisie en concrete doelstellingen op Vlaams niveau zijn noodzakelijk om het geschikte instrument (al dan niet een subsidie) hierop af te stemmen.

• Een van de sleutelfactoren in de concretisering van het beleid is het onderscheid te maken tussen ‘volkstuinen als doel’ (focus op areaal uitbreiden) en ‘volkstuinen als middel’ (inzetten op tal van andere maatschappelijke noden en koppelkansen met de buurt die door volkstuinen kunnen worden ingelost). Door schaalniveaus en ambitieniveaus met elkaar te koppelen, kan een meer performant Vlaams volkstuinbeleid worden ontwikkeld.

U kunt het rapport hier downloaden